Een apparaat of computer aan een netwerk toevoegen
De stappen voor het toevoegen van een apparaat aan het netwerk variëren afhankelijk van het besturingssysteem dat wordt uitgevoerd op uw computer en of uw netwerkapparaten ondersteuning bieden voor nieuwere technologieën. Voor meer informatie over het instellen van een netwerk raadpleegt u Een thuisnetwerk instellen.
Alles weergeven
Als uw router ondersteuning biedt voor Windows Draadloze verbinding maken, of Wi‑Fi Protected Setup (WPS), kunt u aan de hand van de volgende stappen een computer toevoegen aan het netwerk:
-
Schakel de computer in.
-
Open Verbinding met een netwerk maken door op het netwerkpictogram (
of
) in het systeemvak te klikken.
Een lijst wordt weergegeven van de netwerken die momenteel beschikbaar zijn.
-
Klik op uw netwerk en klik vervolgens op Verbinding maken.
-
In plaats van dat u een beveiligingssleutel of wachtwoordzin typt, drukt u op de WPS-knop (Wi‑Fi Protected Setup) op de router. De router stelt de computer automatisch in om verbinding te maken met het netwerk en de beveiligingsinstellingen van het netwerk toe te passen.
Windows Draadloze verbinding maken helpt u om een computer te verbinden met het netwerk.
Als uw instellingen zijn opgeslagen op een USB-flashstation, kunt u via het flashstation computers toevoegen aan het netwerk. Hiervoor moet u de volgende stappen uitvoeren:
-
Meld u aan bij de computer die u aan het netwerk wilt toevoegen.
-
Plaats het USB-flashstation in een USB-poort op de computer.
-
Voor computers met Windows 7 of Windows Vista klikt u in het dialoogvenster Automatisch afspelen op Wizard Draadloos netwerk instellen.
Voor computers met Windows XP klikt u in het dialoogvenster USB-flashstation op Wizard Draadloos netwerk instellen.
U wordt mogelijk gevraagd om uw computer opnieuw op te starten.
-
Meld u aan bij de computer.
-
Open Verbinding met een netwerk maken door op het netwerkpictogram (
of
) in het systeemvak te klikken.
-
Kies het gewenste draadloze netwerk in de lijst die wordt weergegeven en klik op Verbinden.
-
Typ de netwerkbeveiligingssleutel of wachtwoordzin als dat wordt gevraagd en klik vervolgens op OK.
Er wordt een bevestigingsbericht weergegeven zodra u verbinding met het netwerk hebt gemaakt.
-
U kunt als volgt controleren of uw computer is toegevoegd:
Open Netwerk door te klikken op de knop Start
en vervolgens op Configuratiescherm. Typ netwerk in het zoekvak en klik vervolgens op Computers en apparaten in het netwerk weergeven onder Netwerkcentrum.
Er moeten pictogrammen worden weergegeven voor de computer die u hebt toegevoegd en voor andere computers en apparaten die deel uitmaken van het netwerk.
-
Meld u aan bij de computer.
-
Klik op de knop
Start
en klik vervolgens op
Verbinding maken.
-
Kies het gewenste draadloze netwerk in de lijst die wordt weergegeven en klik op Verbinden.
-
Typ de netwerkbeveiligingssleutel of wachtwoordzin als dat wordt gevraagd en klik vervolgens op OK.
Er wordt een bevestigingsbericht weergegeven zodra u verbinding met het netwerk hebt gemaakt.
-
U kunt als volgt controleren of de computer is toegevoegd:
Open Netwerk door te klikken op de knop Start
en vervolgens op Configuratiescherm. Typ netwerk in het zoekvak en klik vervolgens op Computers en apparaten in het netwerk weergeven onder Netwerkcentrum.
Er moeten pictogrammen worden weergegeven voor de computer die u hebt toegevoegd en voor andere computers en apparaten die deel uitmaken van het netwerk.
Opmerking
-
Als er geen pictogrammen worden weergegeven in de map Netwerk, is Netwerkdetectie en bestanden delen mogelijk uitgeschakeld. Als u Netwerkdetectie en bestanden delen wilt inschakelen, klikt u achtereenvolgens op de knop
Start
,
Configuratiescherm,
Netwerk en internet en
Netwerkcentrum, en vervolgens wijzigt u de gewenste instellingen onder
Delen en verkennen.
-
Meld u bij de computer aan als beheerder.
-
Klik op Start, klik met de rechtermuisknop op Deze computer en klik vervolgens op Eigenschappen.
-
Klik op het tabblad Computernaam en klik vervolgens op Wijzigen.
-
Als er een andere werkgroepnaam dan WERKGROEP wordt weergegeven, wijzigt u de naam in WERKGROEP en klikt u vervolgens op OK. Klik anders op Annuleren om het dialoogvenster Identificatie wijzigen te sluiten.
Als u de werkgroepnaam hebt gewijzigd, wordt u gevraagd om uw computer opnieuw op te starten. Start de computer opnieuw op en voer daarna de volgende stappen uit.
-
Klik achtereenvolgens op Start, Configuratiescherm, Netwerk- en internetverbindingen en Netwerkverbindingen.
-
Klik op het pictogram van de draadloze netwerkverbinding en klik vervolgens onder Netwerktaken op Beschikbare draadloze netwerken weergeven.
-
Kies het gewenste draadloze netwerk in de lijst die wordt weergegeven en klik op Verbinden.
-
Sluit de computer aan op een hub, een switch of een router en schakel deze vervolgens in. (Als uw huis is voorzien van Ethernet-bekabeling kunt u in plaats daarvan de computer op een Ethernet-aansluiting aansluiten in de ruimte waarin de computer zich bevindt, indien deze ruimte met een dergelijk aansluitpunt is uitgerust.)
-
U kunt als volgt controleren of uw computer is toegevoegd:
Open Netwerk door te klikken op de knop Start
en vervolgens op Configuratiescherm. Typ netwerk in het zoekvak en klik vervolgens op Computers en apparaten in het netwerk weergeven onder Netwerkcentrum.
Er moeten pictogrammen worden weergegeven voor de computer die u hebt toegevoegd en voor andere computers en apparaten die deel uitmaken van het netwerk.
-
Sluit de computer aan op een hub, een switch of een router en schakel deze vervolgens in. (Als uw huis is voorzien van Ethernet-bekabeling kunt u in plaats daarvan de computer op een Ethernet-aansluiting aansluiten in de ruimte waarin de computer zich bevindt, indien deze ruimte met een dergelijk aansluitpunt is uitgerust.)
-
U kunt als volgt controleren of uw computer is toegevoegd:
Open Netwerk door te klikken op de knop Start
en vervolgens op Configuratiescherm. Typ netwerk in het zoekvak en klik vervolgens op Computers en apparaten in het netwerk weergeven onder Netwerkcentrum.
Er moeten pictogrammen worden weergegeven voor de computer die u hebt toegevoegd en voor andere computers en apparaten die deel uitmaken van het netwerk.
Opmerking
-
Als er geen pictogrammen worden weergegeven in de map Netwerk, is Netwerkdetectie en bestanden delen mogelijk uitgeschakeld. Als u Netwerkdetectie en bestanden delen wilt inschakelen, klikt u achtereenvolgens op de knop Start

,
Configuratiescherm,
Netwerk en internet en
Netwerkcentrum, en vervolgens wijzigt u de gewenste instellingen onder
Delen en verkennen.
-
Sluit de computer aan op een hub, een switch of een router en schakel deze vervolgens in. (Als uw huis is voorzien van Ethernet-bekabeling kunt u in plaats daarvan de computer op een Ethernet-aansluiting aansluiten in de ruimte waarin de computer zich bevindt, indien deze ruimte met een dergelijk aansluitpunt is uitgerust.)
-
Meld u bij de computer aan als beheerder.
-
Klik op Start, klik met de rechtermuisknop op Deze computer en klik vervolgens op Eigenschappen.
-
Klik op het tabblad Computernaam en klik vervolgens op Wijzigen.
-
Als er een andere werkgroepnaam dan WERKGROEP wordt weergegeven, wijzigt u de naam in WERKGROEP en klikt u vervolgens op OK.
Als u de werkgroepnaam hebt gewijzigd, wordt u gevraagd om uw computer opnieuw op te starten. Start de computer opnieuw op en voer daarna de onderstaande stappen uit.
-
Klik op Start en klik vervolgens op Mijn netwerklocaties.
-
Klik in het linkerdeelvenster onder Netwerktaken op Zoeken naar computers in werkgroepen.
-
Kies de gewenste computer in de lijst die wordt weergegeven en klik op Verbinden.
-
Schakel het apparaat in.
-
Volg de instructies in de documentatie bij het apparaat om het apparaat toe te voegen aan het netwerk.
-
Nadat u het apparaat hebt toegevoegd, meldt u zich aan op een netwerkcomputer.
-
U kunt als volgt controleren of het apparaat is toegevoegd:
Open Netwerk door te klikken op de knop Start
en vervolgens op Configuratiescherm. Typ netwerk in het zoekvak en klik vervolgens op Computers en apparaten in het netwerk weergeven onder Netwerkcentrum.
Normaal gesproken wordt het apparaat weergegeven als een pictogram. Als het desbetreffende apparaat een printer is, zult u deze mogelijk eerst met andere computers op het netwerk moeten delen voordat u deze kunt gebruiken.
-
Schakel het apparaat in en sluit dit aan op een hub, een switch, een router of op een computer die is aangesloten op een hub, een switch of een router. Het apparaat wordt vervolgens met het netwerk verbonden.
-
U kunt als volgt controleren of het apparaat is toegevoegd:
Open Netwerk door te klikken op de knop Start
en vervolgens op Configuratiescherm. Typ netwerk in het zoekvak en klik vervolgens op Computers en apparaten in het netwerk weergeven onder Netwerkcentrum.
Normaal gesproken wordt het apparaat weergegeven als een pictogram. Als het desbetreffende apparaat een printer is, zult u deze mogelijk eerst met andere computers op het netwerk moeten delen voordat u deze kunt gebruiken.