Terwijl u aan een bestand werkt, is het raadzaam dit regelmatig op te slaan om te voorkomen dat gegevens verloren gaan door een onverwachte stroomstoring of ander probleem.

  1. Klik op Opslaan in het menu Bestand.

    Als het programma waarin u werkt geen menu Bestand heeft of als u de opdracht Opslaan niet kunt vinden, moet u mogelijk de informatie raadplegen die bij het programma werd geleverd.

  2. Als u werkt met een nieuw bestand en dit de eerste keer is dat u het bestand opslaat, typt u een naam voor het bestand in het vak Bestandsnaam en klikt u op Opslaan.

Een locatie voor een bestand kiezen

De meeste programma's slaan een bestand standaard op in een logische locatie voor bestanden van hetzelfde type (afbeeldingbestanden worden bijvoorbeeld doorgaans opgeslagen in de map Afbeeldingen). Desgewenst kunt u een andere locatie voor het bestand opgeven.

  1. Open het menu Bestand en klik op Opslaan als.

  2. Klik in het dialoogvenster Opslaan als op Door mappen bladeren om het navigatievenster te openen.

  3. Ga op een van de volgende manieren te werk:

    • Klik in het navigatievenster op de map waarin u het bestand wilt opslaan.

    • Klik in de adresbalk op een pijl naast de mapnaam en klik op de map waarin u het bestand wilt opslaan.

    • Typ in de adresbalk het volledige pad naar de map waarin u het bestand wilt opslaan (bijvoorbeeld C:\Gebruikers\Openbaar).

  4. Typ een naam voor het bestand in het vak Bestandsnaam en klik op Opslaan.

Opmerking

  • Afhankelijk van het bestandstype dat u opslaat, kunt u mogelijk bestandseigenschappen, bijvoorbeeld labels, opslaan terwijl u het bestand opslaat. U kunt bijvoorbeeld labels en andere eigenschappen toevoegen aan Microsoft Office-documenten, JPEG-, WMA- en MP3-bestanden en zoekopdrachten. Later kunt u bestanden opzoeken en ordenen aan de hand van deze eigenschappen.