Meerdere gateways configureren in een netwerk


Als uw computer is uitgerust met meerdere netwerkadapters en u voor elke adapter een standaardgateway configureert (waardoor er een standaardroute wordt gemaakt in de IP-routeringstabel voor alle bestemmingen die geen deel uitmaken van het subnet), is het mogelijk dat de informatie in uw netwerk niet op de juiste bestemming terechtkomt als u verbinding maakt met niet met elkaar verbonden netwerken, dat wil zeggen: afzonderlijke netwerken die niet voor rechtstreekse communicatie zijn ontworpen. Er wordt slechts één gateway gebruikt voor alle bestemmingen die zich niet in het subnet bevinden, ook als u meerdere standaardgateways configureert. Voorbeeld: stel dat uw computer is verbonden met internet en een intranet dat meerdere subnetten omvat. Wanneer voor beide adapters een standaardgateway is geconfigureerd, kunt u ofwel communiceren met alle computers op internet ofwel met alle computers op intranet, maar niet met beide.

U kunt dit probleem als volgt oplossen:

  • Configureer een standaardgateway voor de netwerkadapter die is verbonden met het netwerk met de meeste routes (dat is gewoonlijk de netwerkadapter die is verbonden met internet).

  • Configureer geen standaardgateway voor de andere netwerkadapters. Gebruik in plaats daarvan statische routes of dynamische routerings protocollen om de routes voor de andere niet met elkaar verbonden netwerken toe te voegen aan de lokale IP-routeringstabel. Als de routeringsinfrastructuur gebruikmaakt van het RIP-protocol (Routing Information Protocol) voor IPv4, kunt u RIP-listenerservice van Windows inschakelen. Deze stelt uw computer in staat andere routes in het netwerk te bepalen door te 'luisteren' naar uitgezonden RIP-berichten en vervolgens IPv4-routes aan de routeringstabel toe te voegen. Als de routeringsinfrastructuur niet gebruikmaakt van RIP, kunt u de RIP-listenerservice niet gebruiken. In plaats daarvan kunt u ook de opdracht route add -p gebruiken om de afzonderlijke routes handmatig aan de IPv4-routeringstabel toe te voegen. Bij IPv6 moet u de opdracht netsh interface ipv6 add route gebruiken.

Een standaardgateway configureren

  1. Open Netwerkverbindingen door te klikken op de knop StartAfbeelding van de knop Start en vervolgens op Configuratiescherm. Typ adapter in het zoekvak en klik vervolgens op Netwerkverbindingen weergeven onder Netwerkcentrum.

  2. Klik met de rechtermuisknop op de netwerkadapter waarvoor u een standaardgateway wilt configureren en klik vervolgens op Eigenschappen. Beheerdersmachtiging vereistAls u om het beheerderswachtwoord of een bevestiging wordt gevraagd, typt u het wachtwoord of een bevestiging.

  3. Klik op de tab Netwerk.

  4. Klik onder Deze verbinding heeft de volgende onderdelen nodig op Internet Protocol Version 4 (TCP/IPv4) of op Internet Protocol Version 6 (TCP/IPv6) en klik vervolgens op Eigenschappen.

  5. Selecteer Automatisch een IP-adres laten toewijzen of Het volgende IP-adres gebruiken in het dialoogvenster dat wordt geopend.

    Afbeelding van het dialoogvenster Eigenschappen van Internet Protocol versie 4 (TCP/IPv4)
    Dialoogvenster Eigenschappen van Internet Protocol versie 4 (TCP/IPv4)

    Als u de netwerkadapter zo configureert dat er automatisch een IP-adres wordt toegewezen, wordt de standaardgateway toegewezen door de DHCP-server. Als u een alternatieve configuratie opgeeft (alleen bij IPv4), is de standaardgateway gelijk aan het IP-adres in het vak Standaardgateway op het tabblad Alternatieve configuratie. U kunt slechts één standaardgateway opgeven.

    Als u de IP-adresconfiguratie handmatig opgeeft, is de standaardgateway gelijk aan het IP-adres in het vak Standaardgateway op het tabblad Algemeen.

De RIP-listenerservice inschakelen

  1. Open Programma's en onderdelen door achtereenvolgens te klikken op de knop StartAfbeelding van de knop Start, Configuratiescherm, Programma's en Programma's en onderdelen.

  2. Klik in het linkerdeelvenster op Windows-onderdelen in- of uitschakelen. Beheerdersmachtiging vereistAls u om het beheerderswachtwoord of een bevestiging wordt gevraagd, typt u het wachtwoord of een bevestiging.

  3. Schakel het selectievakje RIP-listener in en klik op OK.

Handmatig routes toevoegen voor IPv4

  1. Open het opdrachtpromptvenster door te klikken op de knop StartAfbeelding van de knop Start. Typ opdrachtprompt in het zoekvak en klik vervolgens op Opdrachtprompt in de lijst met resultaten.

  2. Typ het volgende bij de opdrachtprompt: route -p add [bestemming] [mask <netmasker>] [gateway] [metric <metrische kostenwaarde>] [if <interface>].

    In de volgende tabel worden de parameters voor de opdracht route -p add beschreven.

    Parameter
    Beschrijving

    bestemming

    De netwerkbestemming van de route. De bestemming kan een IP-adres of subnetprefix (ook wel het netwerkadres of de netwerk-id genoemd) zijn (waarbij de hostbits van het prefix worden ingesteld op 0), een IP-adres van een hostroute, of 0.0.0.0 voor de standaardroute.

    mask

    Het subnetmasker dat bij de netwerkbestemming hoort. Het subnetmasker kan het bewuste subnetmasker voor een IP-adres of subnetprefix, 255.255.255.255 voor een hostroute of 0.0.0.0 voor de standaardroute zijn. Wanneer u deze parameter weglaat, wordt het subnetmasker 255.255.255.255 gebruikt. Gezien de relatie tussen de bestemming en het subnetmasker bij het opgeven van routes kan de bestemming niet specifieker zijn dan het overeenkomstige subnetmasker. Met andere woorden: een bit voor de bestemming kan niet worden ingesteld op 1 als de overeenkomstige bit in het subnetmasker op 0 is ingesteld.

    gateway

    Het IP-doorstuuradres of IP-adres van de volgende hop waarlangs de verzameling adressen op basis van de netwerkbestemming en het subnetmasker bereikbaar is. Bij lokaal verbonden subnetroutes is het gatewayadres gelijk aan het IP-adres dat is toegewezen aan de interface die aan het subnet is gekoppeld. Bij externe routes, die via een of meer routers bereikbaar zijn, is het gatewayadres een rechtstreeks bereikbaar IP-adres dat aan een naburige router is toegewezen.

    metric

    Een geheel getal (van 1 tot en met 9999) dat dient als metrische kostenwaarde, aan de hand waarvan uit meerdere routes in de routeringstabel die route kan worden gekozen die het beste past bij het bestemmingsadres van een doorgestuurd pakket. De route met de laagste metrische kostenwaarde wordt gekozen. De metrische kostenwaarde kan gebaseerd zijn op het aantal hops, de snelheid van het pad, de betrouwbaarheid van het pad, de capaciteit van het pad of eigenschappen van administratieve aard.

    if

    De interface-index voor de interface waarlangs de bestemming kan worden bereikt. Raadpleeg de uitvoer van de opdracht route print voor een lijst van de interfaces en de bijbehorende interface-indexen. U kunt decimale of hexadecimale waarden gebruiken voor de interface-index. Hexadecimale waarden moeten worden voorafgegaan door 0x. Wanneer u de parameter if weglaat, wordt de interface bepaald aan de hand van het gatewayadres.

    Met de parameter -p kunt u de opgegeven route toevoegen aan het register. Deze wordt dan gebruikt bij het initialiseren van de IP-routeringstabel wanneer het TCP/IP-protocol wordt gestart.

Handmatig routes toevoegen voor IPv6

  1. Open het opdrachtpromptvenster door te klikken op de knop StartAfbeelding van de knop Start. Typ opdrachtprompt in het zoekvak en klik vervolgens op Opdrachtprompt in de lijst met resultaten.

  2. Typ het volgende bij de opdrachtprompt: netsh interface ipv6 add route [prefix=]<IPv6-adres>/<integer> [interface=]<tekenreeks> [[nexthop=]<IPv6-adres>] [[siteprefixlength=]<integer>] [[metric=]<integer>] [[publish=]<waarde>] [[validlifetime=]<integer>|infinite] [[preferredlifetime=]<integer>] [[store=]<waarde>].

    In de volgende tabel worden de parameters voor de opdracht netsh interface ipv6 add route beschreven.

    Parameter
    Beschrijving

    prefix

    Het adres of subnetprefix waarvoor u een route wilt toevoegen.

    interface

    De interfacenaam of -index.

    nexthop

    Het gatewayadres, als het prefix niet on-link is.

    siteprefixlength

    De prefixlengte voor de hele site, indien on-link.

    metric

    De metrische routekosten.

    publish

    Een van de volgende waarden:

    • no: Niet geadverteerd in route-advertisements (standaardinstelling)

    • age: Geadverteerd in route-advertisements met afnemende levensduur

    • yes: Geadverteerd in route-advertisements met onveranderlijke levensduur

    Wanneer u de parameter publish instelt op 'age', bevat de route-advertisement de geldige resterende levensduur totdat de route wordt verwijderd. Wanneer u publish instelt op 'yes', wordt de route nooit verwijderd, ongeacht de waarde bij validlifetime en bevat elke route-advertisement de (zelfde) opgegeven geldige levensduur. Wanneer u publish instelt op 'no' of 'age', wordt de route verwijderd bij het verstrijken van de geldige levensduur.

    validlifetime

    De geldige levensduur van de route, uitgedrukt in dagen, uren, minuten en seconden (bijvoorbeeld. 1d2h3m4s). De standaardwaarde is 'infinite'.

    preferredlifetime

    De levensduur van de voorkeursroute. De standaardwaarde is gelijk aan de geldige levensduur.

    store

    Een van de volgende waarden:

    • active: De wijziging is van kracht tot de volgende opstartcyclus.

    • persistent: De wijziging is permanent (standaardinstelling).