Werken met menu's, knoppen, balken en vakken


Menu's, knoppen, schuifbalken en selectievakjes zijn voorbeelden van besturingselementen die u bedient met uw muis of het toetsenbord. Met deze besturingselementen kunt u opdrachten kiezen, instellingen wijzigen of werken met vensters. In deze sectie wordt beschreven hoe u besturingselementen herkent en gebruikt die u vaak tegenkomt wanneer u Windows gebruikt.

Menu's gebruiken

De meeste programma's bevatten tientallen of zelfs honderden opdrachten (acties) die u gebruikt om met het programma te werken. Veel van deze opdrachten zijn ondergebracht in menu's. Net zoals het menu in een restaurant bevat een programmamenu een lijst met keuzemogelijkheden. Om het scherm opgeruimd te houden, zijn menu's verborgen totdat u op de titels ervan klikt op de menubalk, die zich vlak onder de titelbalk bevindt.

Als u een van de opdrachten in een menu wilt kiezen, klikt u erop. In sommige gevallen verschijnt er een dialoogvenster, waarin u nog meer opties kunt kiezen. Als een opdracht niet beschikbaar is en er niet op kan worden geklikt, wordt deze grijs weergegeven.

Sommige items in een menu zijn geen opdrachten, maar hiermee worden andere menu's geopend. Als u in de volgende afbeelding 'Nieuw' aanwijst, wordt een submenu geopend.

Afbeelding van een menu met submenu
Met sommige menuopdrachten worden submenu's geopend

Als u de gewenste opdracht niet ziet, kijkt u in een ander menu. Als u de muisaanwijzer over de menubalk beweegt, worden de menu's automatisch geopend. U hoeft dan niet opnieuw op de menubalk te klikken. Als u een menu wilt sluiten zonder een opdracht te kiezen, klikt u op de menubalk of in een ander deel van het venster.

Het is niet altijd gemakkelijk om een menu te herkennen, omdat niet alle menubesturingselementen er hetzelfde uitzien of op een menubalk worden weergegeven. Hoe kunt u ze dan vinden? Als u een pijl ziet naast een woord of een afbeelding, is dit waarschijnlijk een menubesturingselement. Hier ziet u enkele voorbeelden:

Afbeelding van menubesturingselementen in Windows
Voorbeelden van menubesturingselementen

Tips

  • Als voor een opdracht een sneltoets beschikbaar is, wordt die sneltoets naast de opdracht weergegeven.

  • U kunt menu's ook met het toetsenbord gebruiken in plaats van met de muis. Zie Het toetsenbord gebruiken.

Schuifbalken gebruiken

Wanneer een document, webpagina of afbeelding groter is dan het venster, verschijnen er schuifbalken waarmee u de gegevens kunt weergeven die buiten het beeld vallen. In de volgende afbeelding ziet u de onderdelen van een schuifbalk.

Afbeelding van horizontale en verticale schuifbalken
Horizontale en verticale schuifbalk

Een schuifbalk gebruiken:

  • Klik op de pijltjes boven en onder aan de schuifbalk om de inhoud van het venster in kleine stappen omhoog of omlaag te schuiven. Houd de muisknop ingedrukt om ononderbroken te schuiven.

  • Klik op een leeg gebied van een schuifbalk boven of onder het schuifblokje om één pagina omhoog of omlaag te schuiven.

  • Sleep een schuifblokje omhoog, omlaag, naar links of naar rechts om het venster in die richting te schuiven.

Tip

  • Als uw muis een schuifwiel heeft, kunt u dit gebruiken om door documenten en webpagina's te bladeren. U schuift omlaag door het wiel naar u toe te rollen. U schuift omhoog door het wiel van u af te rollen.

Opdrachtknoppen gebruiken

Met een opdrachtknop wordt een opdracht uitgevoerd wanneer u erop klikt. Opdrachtknoppen ziet u vooral in dialoogvensters, de kleine vensters die opties bevatten om een een taak uit te voeren. Als u bijvoorbeeld een afbeelding in Paint sluit zonder deze eerst op te slaan, kan het volgende dialoogvenster verschijnen.

Afbeelding van het dialoogvenster Paint
Dialoogvenster met drie knoppen

Als u de afbeelding wilt sluiten, moet u eerst op de knop Opslaan of de knop Niet opslaan klikken. Als u op Opslaan klikt, wordt de afbeelding met de wijzigingen die u hebt aangebracht opgeslagen. Als u op Niet opslaan klikt, wordt de afbeelding verwijderd, inclusief alle wijzigingen die u hebt aangebracht. Als u op Annuleren klikt, wordt het dialoogvenster gesloten en keert u terug naar het programma.

Tip

  • Op ENTER drukken werkt hetzelfde als klikken op een opdrachtknop die is geselecteerd (met een rand er omheen).

Opdrachtknoppen die niet in een dialoogvenster staan, kunnen er heel verschillend uitzien, waardoor het soms moeilijk te zien is wat nou een knop is en wat niet. Zo worden opdrachtknoppen vaak weergegeven als kleine pictogrammen (afbeeldingen) zonder tekst of rechthoekig kader.

Als u wilt weten of iets een opdrachtknop is, laat u de aanwijzer erop rusten. Als het 'oplicht' en er een rechthoek omheen verschijnt, hebt u een knop gevonden. Bij de meeste knoppen verschijnt ook tekst die die functie aangeeft wanneer u de knop aanwijst.

Als een knop in twee gedeelten verandert wanneer u deze aanwijst, hebt u een splitsknop gevonden. Als u op het hoofdgedeelte van de knop klikt, wordt een opdracht uitgevoerd en als u op de pijl klikt, wordt een menu met meer opties geopend.

Afbeelding van splitsknoppen
Splitsknoppen worden in twee delen weergegeven wanneer u deze aanwijst

Optieknoppen gebruiken

Met optieknoppen kunt u een keuze maken uit twee of meer opties. Optieknoppen ziet u vaak in dialoogvensters. In de volgende afbeelding ziet u twee optieknoppen. De optie 'Kleur' is geselecteerd

Afbeelding van optieknoppen
Door op een optieknop te klikken wordt die optie geselecteerd

Klik op een van de knoppen om een optie te selecteren. Er kan slechts één optie worden geselecteerd.

Selectievakjes gebruiken

Met selectievakjes kunt u een of meer onafhankelijke opties selecteren. In tegenstelling tot optieknoppen, waarbij u beperkt bent tot één optie, kunt u met selectievakjes meerdere opties tegelijk kiezen.

Afbeelding van selectievakjes met de muisaanwijzer op een uitgeschakeld selectievakje
Klik op een leeg selectievakje om die optie in te schakelen

Selectievakjes gebruiken:

  • Klik op een leeg vierkantje om die optie te selecteren (in te schakelen). In het vierkantje verschijnt een vinkje, dat aangeeft dat de optie is geselecteerd.

  • Als u een optie wilt uitschakelen, verwijdert u het vinkje door erop te klikken.

  • Opties die op dit moment niet kunnen worden geselecteerd of uitgeschakeld, worden grijs weergegeven.

Schuifregelaars gebruiken

Met een schuifregelaar kunt u een instelling aanpassen binnen een waardenbereik. Een schuifregelaar ziet er als volgt uit.

Afbeelding van een schuifregelaar
De aanwijzersnelheid wijzigen door de schuifregelaar te verplaatsen

De schuifregelaar op de balk geeft de geselecteerde waarde aan. In het bovenstaande voorbeeld staat de schuifregelaar halverwege tussen Snel en Langzaam. Dit geeft een gemiddelde aanwijzersnelheid aan.

Een schuifregelaar gebruikt u door deze naar de gewenste waarde te slepen.

Tekstvakken gebruiken

In een tekstvak kunt u gegevens typen, zoals een zoekterm of een wachtwoord. In de volgende afbeelding ziet u een dialoogvenster dat een tekstvak bevat. In het tekstvak is al een woord getypt.

Afbeelding van een tekstvak
Voorbeeld van een tekstvak in een dialoogvenster

Een knipperend verticaal streepje dat de cursor wordt genoemd, geeft aan waar de tekst die u typt, zal verschijnen. In het voorbeeld staat de cursor aan het einde van het woord in het tekstvak. U kunt de cursor eenvoudig verplaatsen door op de nieuwe positie te klikken. Als u bijvoorbeeld een woord wilt toevoegen vóór het woord in het tekstvak, verplaatst u eerst de cursor door vóór de eerste letter van het bestaande woord te klikken.

Als u geen cursor ziet in het tekstvak, is het tekstvak niet klaar voor invoer. U moet dan eerst in het vak klikken voordat u begint te typen.

Als u een wachtwoord moet opgeven in een tekstvak, wordt het wachtwoord meestal verborgen terwijl u het typt, voor het geval iemand anders meekijkt naar uw scherm.

Afbeelding van een wachtwoord in een tekstvak
In tekstvakken voor wachtwoorden wordt het wachtwoord meestal verborgen

Vervolgkeuzelijsten gebruiken

Vervolgkeuzelijsten lijken op menu's. In plaats van op een opdracht te klikken, kunt u echter een optie kiezen. Wanneer een vervolgkeuzelijst is gesloten, wordt alleen die optie weergegeven die op dat moment is geselecteerd. De andere beschikbare opties zijn verborgen totdat u op het besturingselement klikt, zoals u hieronder ziet.

Afbeelding van een vervolgkeuzelijst
Een gesloten vervolgkeuzelijst (links) en een geopende vervolgkeuzelijst (rechts)

Als u een vervolgkeuzelijst wilt openen, klikt u erop. Als u een optie in de lijst wilt kiezen, klikt u op die optie.

Keuzelijsten gebruiken

In een keuzelijst wordt een lijst met opties weergegeven waaruit u kunt kiezen. In tegenstelling tot een vervolgkeuzelijst zijn sommige of alle opties zichtbaar zonder dat u de lijst hoeft te openen.

Afbeelding van een keuzelijst
Keuzelijst

Als u een optie in de lijst wilt kiezen, klikt u op die optie. Als de optie die u wilt kiezen niet zichtbaar is, gebruikt u de schuifbalk om de lijst omhoog of omlaag te schuiven. Als boven de lijst een tekstvak staat, kunt u de naam of de waarde van de optie in dat vak typen.

Tabbladen gebruiken

In sommige dialoogvensters zijn de opties over twee of meer tabbladen verdeeld. U kunt slechts één tabblad, of set opties, tegelijk bekijken.

Afbeelding van tabs
Tabbladen

Het geselecteerde tabblad wordt weergegeven voor alle andere tabbladen. Als u naar een ander tabblad wilt gaan, klikt u op de tab.